Vulfpeck – Hill Climber

Waardering

7

8

8

6

Sinds de oprichting produceert Vulfpeck een gestage stroom aan ep’s en albums, waarbij de instrumentale nummers vaak de boventoon voeren. De vier oprichters van Vulfpeck, Jack Stratton, Theo Katzman, WoodyGoss en Joe Dart beheersen hun instrumenten als geen ander. In 2011 zijn ze op de universiteit van Michigan Vulfpeck gestart als een moderne variant op beroemde studiosessie bands uit de jaren zestig. Inspiratie waren de van Motown bekende Funk Brothers en de Muscle Shoals Rhythm Section, huisband van de FAME studios. De inspiratie van de heren loopt verder van de funk-rock van bassist Flea van de Red Hot Chilli Peppers, via de onvervalste New Orleans funk van The Meters, tot de improvisaties van jazzlegende Thelonius Monk.

Hill Climber, hun vierde studioalbum, start met een paar echte popliedjes die uitmuntend gespeeld en gezongen worden. De tweede helft zijn instrumentale tracks. Half Of The Way is het openingsnummer waar Theo Katzman qua zang gelijk de toon zet en die toon laat hij de volgende paar nummers niet meer los. Naast het openingsnummer zullen Lonely Town en For Survival niet misstaan op een willekeurige Yacht rock compilatie. De songs hebben namelijk een helder open geluid, dat veel weg heeft van de jaren zeventig West Coast sound. Zwoele funkrock met gitaar en hier en daar wat extra bas. Erg lekker als achtergrond voor een prettige cocktail party of een lange autorit. De meeste nummers zijn redelijk tot zeer uptempo, met de meanderende ballade Love Is A Beautiful Thing als enige uitzondering.

Pas de tweede helft van het album begint het echt te grooven en funken. De titel van het zevende instrumentale nummer is wat dit betreft overduidelijk: Lost My Treble Long Ago. Hoewel de hoge tonen niet verdwijnen, zet de bas de toon om dit het hele nummer niet meer te verslappen. De rest van de nummers blijft die groove overheersen, aangevuld met een funky gitaargeluid. In Disco Ulysses (Instrumental) lijken het gitaar- en basgeluid zo weggelopen uit het oeuvre van Nile Rodgers en Benard Edwards, ten tijde van hun avonturen met Chic en Sister Sledge. Het album is een fraaie productie waar alle instrumenten goed tot hun recht komen, ook in de nummers waar de zang centraal staat. Wel vliegt Hill Climber snel voorbij, 10 nummers die binnen 34 minuten je linker- en rechterhersenhelft met elkaar verbinden. Mooi doordachte instrumentatie, die in veel gevallen direct tot je gevoel spreken.

Het album laat een wat ambigue gevoel achter, enerzijds zitten alle nummers erg goed in elkaar en vormen daarmee een geheel. Anderzijds lijkt het of er twee platen in dat ruime halfuurtje zijn geperst. Een A kant waar vooral moderne softrock floreert, met lekker in het gehoor liggende liedjes voor een tuinfeestje of op de autoradio. De B kant is veel meer geënt op de instrumentale funky grooves van de studiosessie bands die Vulfpeck tot voorbeeld dienden. Het lijkt wel of Vulfpeck niet kon kiezen wat voor soort album het zou moeten worden. Deze ambivalentie komt bij elkaar in Darwin Derby; softrock meets funk. Een lekker, maar bij tijd en wijlen wat vreemd huwelijk. De vraag is of je dit huwelijk ook in één hap wil consumeren.

    Wat vind jij van deze plaat?